LES 12 VOEDING IN DE GOUDEN EEUW

 

EN:...iets over ...FRIKANDELLEN EN PASTINAKEN

 

Voor leerlingen van de bovenbouw

 

Doel:

Je leert dat de mensen in de Gouden Eeuw andere dingen aten dan de mensen van tegenwoordig.

 

Opzet:

Lees de achtergrondinformatie over voeding: 'frikandellen en pastinaken'.

 

Lees pagina 71 en 72 uit het boek Helden van de Honte,

 

Nodig: pen en papier, en voor opdracht 3 een groot vel papier.

 

Opdracht 1:     In tweetallen.

                      

Maak een werkstuk over de aardappel.

Vertel daarin iets over:

a. wat is het voor een soort plant

b.waar komt de aardappel vandaan

c. wat kun je met een aardappel doen

                

Opdracht 2:     hele groep

De voorloper van de aardappel is de pastinaak, lees hiervoor de achtergrondinformatie.

Misschien kun je op school koken. Probeer dan maar eens het volgende recept:

Koop een kilo (meer of minder) pastinaken. Schil ze en snij ze in dikke plakken.

Kook die plakken vijf tot tien minuten in water. Giet dan het water af. (pas op: heet) Laat de plakken afkoelen.

Strooi er wat zout en peper over. Bak de plakken knapperig bruin.

Van hele dunne schijfjes kun je op deze manier chips bakken.

                      

Opdracht 3:

 

In de Gouden Eeuw waren er geen buurtsupers of Albert Heijns. Maar als er toen wel een winkel was, welke producten zouden er dan in de schappen liggen?

Hoe zou die winkel er hebben uitgezien?

Bedenk de supermarkt uit de Gouden Eeuw. Teken een schema van de indeling van de winkel. Waar zou je de groenten leggen en waar de andere producten?

 

 

 

 

Maak voordat je het schema tekent een lijstje van producten die vroeger voorkwamen. Op oude schilderijen zoals het schilderij hierboven, kun je veel producten vinden. De Romeinen haalden al producten van ver. Wijn bijvoorbeeld haalden ze uit Spanje. Een product als rijst groeide in Italie en Spanje.

 

 

Achtergrondinformatie Voeding in de Gouden Eeuw, over Frikandellen en pastinaken

 

Tegenwoordig ga je voor boodschappen naar de buurtsuper of naar een speciale winkel waar ze kaas, wijn of groenten verkopen. Speciaalzaken noemen we dergelijke winkels.

In de Gouden eeuw waren er nog geen winkels. De huisvrouw ging in de ochtend naar de markt om inkopen te doen. Ze had haar beurs veilig tussen haar rokken verstopt. Deftige dames stuurden hun dienstmeisje, dat meestal een emmer mee kreeg om het vlees of de vis in te doen. Die werd afgedekt met een schoteldoek. Op de markt kon je vlees, vis en graan kopen. Ook brood, kaas en fruit.

Op de kraam van de slachter lagen grote delen van een varken en van een rund. Hij sneed het stuk af dat je wilde hebben. Hij maakte ook de worstjes voor je klaar.

Je moet bedenken dat er in die tijd geen koeling was, behalve soms blokken waterijs. Vlees werd met zout bestrooid om het goed te houden. Ook werden veel vlees- en visproducten gepekeld. Met pekelen bedoelen we dat een product helemaal in het zout gelegd wordt. Dat beinvloedt de smaak van het product. Veel bekende gepekelde producten zijn: zoute haring, spek, en ham. Ook kaas krijgt een pekelbad om het te conserveren (daarmee bedoelen we: om het goed te houden).

 

Langzaamaan werden producten ook vanuit het huis van de verkoper verkocht. Eerst onder een luifel aan de voorgevel. Als de zaken goed liepen, werd de voorgevel van het huis verbouwd, de voorkamer werd winkel.

 

De mensen die leefden in de Gouden Eeuw waren niet zo gek op groenten. Maar langzamerhand kwamen ze er achter dat het eten van fruit en groenten belangrijk was voor de gezondheid. Je kon daarmee bepaalde ziektes voorkomen. Denk maar aan scheurbuik. Dat kregen veel zeelui, omdat ze lang onderweg waren en geen vers fruit of verse groenten konden eten.

We weten tegenwoordig veel meer over gezonde en ongezonde voeding. Maar het begrip vitamine is pas geformuleerd door Casimir Funk in 1912. Hij onderzocht ook waarom bruin brood beter was dan wit.

 

 

Frikandellen

 

Je hebt vast wel eens een frikadel gegeten. Je denkt natuurlijk dat een dergelijke lekkernij iets van deze tijd is. Dat is niet helemaal waar. Wat er in je frikadel zit, is wel iets van deze tijd. Maar al in de Middeleeuwen werden er al frikadellen gemaakt. Ze heetten in die tijd iets anders: fricotellen. In de 17e eeuw werden ze frickedillen genoemd.

De oerfrikadel uit de 15e eeuw bestond uit repen kalfslever. Die repen werden bestrooid met kruiden en specerijen, opgerold en aan een spies gestoken. Deze werd geroosterd. Daarna werd de fricotel gaar gestoofd. Vervolgens werd dit hapje in plakjes gesneden, daartussen kwam een plakje spek, en voila, zo werd het opgediend. Een kruising dus tussen een slavink en een shaslik.

 

 

Aardappels en pastinaken.

 

.aardappels .. pastinaken

 

 

In veel Europese landen worden bijna dagelijks aardappelen gegeten. Dat is niet altijd zo geweest. Spaanse ontdekkingsreizigers brachten de plant vanuit Zuid-Amerika naar Spanje. Monniken verspreidden hem in Europa. De stengels en de bessen van de plant zijn giftig. Daarom was de aardappel niet meteen een succes. Pas in 1727 werd de knol in Friesland als voedsel erkend. Toen men er achter kwam dat je door het eten van aardappelen geen last kreeg van scheurbuik werd de plant steeds meer geteeld. Eigenlijk al voordat men wist wat vitamine C was en hoe belangrijk die vitamine is.

 

Wat was dan wel het volksvoedsel als er geen aardappels bekend waren? De gewone man kookte zijn kostje in de ketel die aan een haak boven de stookplaats hing. Daarin gingen knollen, stukken kool en soms een stuk vlees. Je at je kostje met een lepel uit een kom.

De iets rijkere mensen aten dikwijls wildgebraad of vis. Daarbij aten ze in de winter pastinaken. Dit zijn lange witte wortels die je kunt oogsten als je ze nodig hebt. Ook midden in de winter. De smaak is een beetje anijsachtig. Zelfs de Romeinen aten al pastinaken. Hoe noordelijker pastinaken groeien hoe groter ze worden. De mensen wisten al gauw dat pastinaken heel gezond waren. Nu weten we dat er veel vitamine C in zit.

 

 

Tafelmanieren

 

De gewone man at in de Middeleeuwen zijn kostje met een lepel uit een kom. Wilde je een stuk vlees hebben dan prikte je dat aan je mes. Met de vingers eten was ook heel gewoon.

Aan het eind van de 17e eeuw werden de tafelmanieren beter. Nieuw was de vork, die in het begin maar twee tanden had. Er kwam ook mooi serviesgoed, o.a. uit China. Deftige mensen schaften een theepot aan met echte theekopjes. Thee was erg duur, dus niet betaalbaar voor de gewone burger. Als een dienstmeisje al mee mocht eten aan de grote tafel, dan werd die gedekt, behalve voor haar plekje. Maar personeel at gewoonlijk in de keuken.