AARDRIJKSKUNDE, reis mee door het Zeeland van de Gouden Eeuw

Vergelijken, verschillen tussen het Zeeland van de 17e eeuw en nu

Voor de leerling

Doel:

Je leert dat Zeeland er nu heel anders uit ziet dan in de 17e eeuw.

Je kunt zichtbare sporen in Zeeland noemen uit het Zeeland van de 17e eeuw.

Opzet:

Lees de achtergrondinformatie.

Lees ook het stukje uit 'Helden van de Honte' , pagina 59 en 60 uit het boek

Bekijk de drie kaarten nauwkeurig. Zoek zo veel mogelijk verschillen.

Nodig: de twee kaarten van Zeeland: uit de 16e eeuw en uit 2000.

Opdrachten:

1               Praat met elkaar over de achtergrondinformatie en over het stukje uit: 'Helden van de Honte'.

   Noem voorbeelden van verschillen tussen het landschap van de 17e eeuw en het landschap van nu. Kijk naar de wegen en waar de rivieren stromen.

2          Maak tweetallen

            Leg de kaarten van Zeeland in de Middeleeuwen en de kaart van Zeeland van nu naast elkaar en bekijk ze goed.

            Schrijf de belangrijkste verschillen op.

            Bijvoorbeeld:

      A         het water de 'Westerschelde' heette vroeger 'De Honte'.

      B         de kustlijn is veranderd

            Welke plaatsen ken je en welke niet?

            Als je klaar bent, vergelijk je jouw lijst met die van een ander tweetal.

           

3          Hoe zou Zeeland er in 2030 uit zien?

            De eerste kaart laat Zeeland in de 16e eeuw zien. Aan het eind van de 17e eeuw is er alweer veel veranderd. Er is bijvoorbeeld al veel land ingepolderd.  

            Pak de kaart van Zeeland uit 2000. Teken op die kaart in hoe je denkt dat Zeeland er in 2030 uit  zal zien. Kleur de kaart in.

Variatie A:

Bestudeer in tweetallen de beide kaarten.

Beschrijf de route die de jongen uit het verhaal gevolgd heeft, van Driewegen op Zuid Beveland naar Vlissingen. Hij reisde aan het eind van de 17e eeuw.

 

Variatie B:

Bestudeer in tweetallen de beide kaarten.

Beschrijf een reis van Hulst naar Haamstede in de Gouden Eeuw. Hoe lang zou je daar over doen? Welke gevaren kom je onderweg tegen?

Hoe zou je nu van Hulst naar Haamstede reizen en hoe lang zou je daar over doen? Zijn er tegenwoordig nog gevaren onderweg?

 

 

ACHTERGRONDINFORMATIE

In de laatste ijstijd van 20.000 jaar geleden daalde de zeespiegel 130 meter.

Er liepen mammoeten rond in Nederland en wolharige neushoorns.

Die konden gewoon naar Engeland lopen. De Noordzee lag veel verder naar het westen.

Ongeveer 10.000 jaar geleden ging de temperatuur weer stijgen. De ijsbergen smolten en het zeewater steeg. Aan het begin van de jaartelling,

toen de Romeinen in ons land waren, bestond Zeeland uit slikken en schorren. Ongeveer zoals de wadden.

Tussen 400 en 800 na Chr. was Zeeland te nat en konden er nauwelijks mensen wonen. Daarna zakte het water een beetje.

Langs de kust van Walcheren was door wind en zee een brede lage strandwal gevormd die bij vloed het water tegen hield.

Langzamerhand kwam er weer mensen in dit gebied. De eerste bewoners vanaf de 8e eeuw waren schaapherders die hun kuddes lieten grazen op de schorren en slikken. Om te wonen zochten de herders een plekje waar zoet water was. Ook legden ze, om aan zoet water te komen, hollestelles aan. Daarvoor groeven ze een kuil in de grond, legden daar omheen een dijkje en vingen zo het regenwater op.

 

Zeeland in 1650

 

Overal waren eilandjes en kreken. De bodem bestond uit zompig veen, dat voortdurend verzakte. We noemen dat inklinken.

Tussen het jaar 1000 en 1600 waren er veel grote overstromingen, waarbij er steeds wat zand achterbleef in de kreken. Die kreken werden op den duur kleine verhogingen in het landschap. Op zo'n hoger gelegen kreekrug ontstonden dorpjes.

Om meer grond voor de schapen en voor de mensen zelf te krijgen, werden polders aangelegd. Dat deed men door een dijk rond een droog stuk schor te leggen. Zo'n dijk was niet altijd even stevig, of goed onderhouden. Een flinke stormvloed kon er gemakkelijk een gat slaan. Door overstromingen verdwenen in Zeeland die periode 116 dorpen onder de golven. Ook de welvarende stad Reimerswaal. Onder water kun je nog steeds de restanten zien van de kerk en van het eens zo mooie kasteel.

In de 17e eeuw waren er al veel stukken grond ingepolderd. Maar er waren nog steeds veel eilanden. Om van de ene stad naar de andere te komen, moest je dikwijls met een veerpont het water over. Van Goes naar het eiland Noord-Beveland moest je over het Schenge. Wilde je van het eiland Walcheren naar Zuid Beveland, dan moest je zelfs twee keer overvaren.

Reizen kon je ook met paard en wagen. Dat kostte natuurlijk veel tijd. Er waren nog geen vrachtwagens en treinen. Hout, voedsel en andere producten werden per schip vervoerd.

 

In deze omgeving, in een tijd dat Vlissingen een behoorlijke stad was geworden, werd Michiel de Ruijter geboren. Als kind is hij vast en zeker dikwijls op de strandmuur geweest die de stad beschermde tegen het water en tegen vijanden als de Spanjaarden. Op die plaats is nu een stenen boulevard, die naar hem is genoemd.

 

 

Tussen 1547 en 1620 was de Honte 4000 meter breder geworden, een bevaarbare zeearm. Hierdoor kon Vlissingen de voorhaven van Antwerpen worden, belangrijk voor de handel tussen de Nederlanden, Engeland en Frankrijk. Michiel groeide op tussen jongens die het liefst naar zee wilden en kapitein wilden worden. Het waren avontuurlijke jongens die geen zin hadden om op het land te werken of te vissen. Ze gingen liever mee met een walvisvaarder naar de Noordelijke IJszee. Ze gingen zelfs liever mee met levensgevaarlijke tochten om Duinkerkerkapers in de pan te hakken. Andere jongens monsterden aan op een schip van de V.O.C. terwijl ze wisten dat de kans klein was dat ze een jaar later veilig thuis zouden komen.

 

 

Uit: ' Helden van de Honte' :

 

De veerman en de boer loodsten de koeien de boot op. De beesten hielden zich wonderbaarlijk koest, alsof ze gewend waren op reis te gaan.

Toen draaide de voerman zich om naar Pieter. 'Bedankt hoor, je mag ook wel gaan zitten. Ga je voor het eerst naar Walcheren?'

Pieter knikte en ging naast zijn moeder zitten. Zo voeren ze naar de overkant, naar Walcheren.

Op het Sloe voeren een paar vissersschepen. In de verte was een groot vrachtschip te zien.

Aan de overkant stonden twee open wagens klaar. De paarden stonden braaf te wachten. De voerman wees naar de linkerwagen. ' Die voerman brengt u naar het Klein Sloe, richting Vlissingen. De andere wagen gaat naar Arnemuiden.

 

 

Met hun bundeltje kleren onder de arm liepen moeder Geertje en Pieter naar de voerman. Die sprong ogenblikkelijk van de bok.

' De reis is al betaald, ik weet ervan. Wil jij bij mij op de bok zitten?' vroeg hij aan Pieter.

' Graag meneer.'

Onder de bank op de bok lag een hele dikke stok. Pieter keek er verbaasd naar.

'Oh, ja, jongen, die ligt daar niet voor niets. Dit is gevaarlijk gebied. Er zijn hier struikrovers en er loopt gespuis rond. Je moet maar goed om je heen kijken. Als je vreemde kerels ziet, geef je mij maar een waarschuwing. Ik wil mijn passagiers veilig bij de Welsinge afzetten.'

Pieter keek eens goed naar de man naast hem op de bok. Zou de voerman dat wel menen?

Maar die lachte hem geruststellend toe. ' Maak je maar geen zorgen. Ik lust dat schorem rauw. Ik hoef maar met die dikke stok te zwaaien en weg zijn de boeven. Maar ik kan nu eenmaal niet overal tegelijk kijken.'

Hij klakte met zijn tong. De paarden gingen meteen op stap.

Over zanderige paden hobbelden ze naar de aanlegplaats bij de Welsinge. Een platte schuit lag klaar om hen naar de overkant te brengen.

   

ZEELAND  IN  DE  MIDDELEEUWEN

 

 

ZEELAND  IN  2000