LES 4 GESCHIEDENIS
KINDERKLEDING
Voor leerlingen van de bovenbouw
|
Doel: Je leert dat kinderkleding er vroeger anders uitzag dan nu. Opzet: Lees de achtergrondinformatie over kinderkleding Lees pagina 96 uit het boek 'Helden van de Honte' Maak de opdrachten Nodig: Potlood en papier, voor opdracht 4 stevig papier,
eventueel oude kranten en/of crepe papier |
Opdracht 1:
Schrijf drie voorbeelden op van verschillen in kleding tussen 1700 en nu.
1
2
3
Opdracht 2:
Welke kleding zou je een jong meisje uit de Gouden Eeuw aantrekken? Schrijf minstens drie kledingstukken op.
1
2
3
Opdracht 3
In de Gouden Eeuw droegen kinderen geen Nikes of Adidas sportschoenen.
Hadden ze wel iets aan hun voeten? Schrijf op wat ze aan hun voeten hadden.
...........
Opdracht 4
Je hebt bij de achtergrondinformatie een aantal voorbeelden gezien van kinderkleding uit de tijd van Michiel de Ruijter.
Probeer eens zelf een kledingstuk te ontwerpem in de stijl van die tijd. Maak er een tekening van.
Je kunt ook een aankleedpop van stevig papier maken, waar je kleertjes bij maakt. Let hierbij ook op de stof die je zou willen gebruiken.
Achtergrondinformatie
Voor de jonge Michiel de Ruijter waren er geen Nikes, trainingspakken of baseballcaps. Een goed gevulde klerenkast zat er voor hem niet in met al die broertjes en zusjes.
Toen hij als kwajongen de toren van de Sint Jacobskerk beklom, zal hij waarschijnlijk een hemd een wambuis en een kniebroek aangehad hebben. Verder een paar lange kousen en simpele schoenen. Met klompen aan kun je moeilijk klimmen.
Plaatje
Tot in de 1e eeuw was er eem verschil in kleding die overeen kwam met de indeling in de samenleving.
Er waren drie standen:
A de adel
B de geestelijkheid
C de burgerij.
De adel en de geestelijkheid hadden hun eigen soort kleding. Bij de burgerij was er een verschil tussen gewone burgers en boeren.
De boerinnen droegen een rok, een hemd, een rijglijfje, een muts en soms een schouderstuk. De boer droeg een wambuis dat in lengte varieerde. Verder een aansluitende broek, vn kort tot knielang.

Zo kleedde de burgerij zich ook wel. Maar als burgers naar buiten gingen, trokken zowel mannen als vrouwen een overkleed of reismantel aan. Zo'n mantel heette een clockeÕ, of Ô huikÕ.
Rijke mensen droegen op hun huik een vooruitstekend kapje. Dat beschermde je tegen de regen. Dit klepje wordt ook wel " faalje" of "falie" genoemd.
Als jij in die tijd met je moeder naar buiten ging, dan zouden jullie tegen de kou een zware winterse doek om je heen slaan. Ook een dergelijke omslagdoek noemen we een ÔfaaljeÕ, pf ÔfalieÕ. Je kunt hem een beetje vergelijken met een poncho.
Hier komt de uitdrukking: "ik geef je op je falie" vandaan. Misschien ken je ook de uitdrukking: "het gaat faliekant verkeerd".
Halverwege de 16e eeuw zag de burgervrouw er als volgt uit:
Hooggesloten jurken, nauwe mouwen, kleine plooitjes en een mantel zonder mouwen. Ze had altijd een mutsje op haar hoofd, dat meestal met spelden in het haar werd vastgezet. Soms waren oorijzers nodig om de muts vast te houden.
Als kind droeg je die kleren in het klein. Je kunt je wel voorstellen dat je daar niet gemakkelijk in kon spelen, laat staan rennen/

Lange tijd hebben de kinderen dezelfde kleding gedragen als volwassenen, zelfs als bejaarden. Kinderen werden gezien als kleine volwassenen, en zo zagen ze er ook uit.
Op dit schilderij heeft Cornelis de Vos zijn twee kinderen afgebeeld. Ze dragen prachtig geborduurde kleding van brokaat (dikke zijde). Ze kijken een beetje ondeugend.Hun gezichtjes zouden niet veel veranderen als ze kleding uit onze tijd aan hadden, zoals een t-shirt en een spijkerbroek.
He meisje links heeft in haar hand een trosje kersen. Die kersen hebben een bijzondere betekenis. Zoals zoveel dingen een symbolische betekenis hebben. Met " symbolisch" bedoelen we dat we een een bepaald voorwerp een andere betekenis geven, een betekenis die voor iedereen herkenbaar is. De symbolische betekenis van de kersen op dit schilderij is, dat het meisje heel braaf en netjes is.
Wist je dat jongetjes tot vier jaar een rok aan hadden? Dat heeft een beetje met bijgeloof te maken. Veel kinderen gingen al jong dood. Sommige mensen dachten dat de duivel hen kwam halen. Die duivel had liever jongetjes. Als je een jongetje dus kleedde als een meisje, dan dacht de duivel dat het een meisje was. Maar helaas gingen ook veel jongetjes vroeg dood.

Dat kinderen dezelfde kleding droegen als volwassenen is ook goed te zien op het beroemde schilderij "Vrolijk huisgezin" van Jan Steen uit 1668.

In de tijd van Michiel de Ruijter was het koud. Er heerste een klein ijstijd. De mensen gingen zich daarom warmer kleden. Vrouwen trokken meerdere rokken over elkaar aan. Dat bleef soms traditie. De blote hals werd te koud. Die werd opgevuld met een soort schouderstuk.

In het Calvinistische Holland werd zwart de modekleur. Ook de rijkere mensen gebruikten veel zwart. Zij deden dit omdat zwart er gauw vaal of versleten uit ziet. Arme mensen hadden geen geld om nieuwe kleren te kopen. Met glimmend zwart fluweel kon je pronken. Ook duurdere stoffen zoals satijn en zijde werden gebruikt om mee te pronken. Op schilderijen uit de tijd van Michiel de Ruijter zie je soms brede stroken kant uit de mouwen van mannen en vrouwen steken. Daar komt de uitdrukking vandaan: Wie het breed heeft, laat het breed hangen. Op dit schilderij zie je Anna van Gelder, de echtgenote van Michiel de Ruijter.Ze heeft een mooie zwart fluwelen jurk aan. Het kant is goed zien. Al was Anna van Gelder, net als Michiel heel bescheiden.
Het verschil in gewone kleding en klederdracht kwam pas na 1800. Ook daaraan was duidelijk te zien wie het goed had en wie niet.
Echte kinderkleding komt er pas in de 19e eeuw. Pas in die tijd werd een kind niet meer als een kleine volwassene beschouwd.