GYM SPELLETJES:
Voor leerlingen van de bovenbouw
|
Doel: Je leert dat kinderen vroeger mee moesten werken op het land of in een fabriek, maar dat ze toch ook speelden. Opzet: Lees pagina 17 - 19 uit het boek 'Helden van de Honte' Bekijk de afbeelding van het schilderij ' Kinderspelen' en lees de informatie die daarbij hoort. Maak de opdrachten. Nodig: Afbeelding van het schilderij ' Kinderspelen' van Pieter Breughel. Tekenpapier voor het
spel-ontwerp. |

Opdracht 1:
Bekijk in tweetallen het schilderij ' Kinderspelen'.
Welke spelen herken je? Schrijf er zoveel mogelijk op. Het tweetal dat de meeste spelen heeft opgeschreven, wint .
Opdracht 2:
Bij de achtergrondinformatie worden zes spelen genoemd. Welke zou je tegenwoordig nog kunnen spelen, welke niet? En waarom?
Opdracht 3:
Veel spelletjes hebben regels gekregen en zijn sporten geworden, bijvoorbeeld voetballen.
Kun je nog een of meer voorbeelden geven van spelletjes van vroeger, die echte sporten zijn geworden?
---------------------------------------------------------
............................................................................
Opdracht 4
Bedenk zelf een nieuw spel. Schrijf de spelregels op. Voor welke leeftijd is jouw spel geschikt? Maak een tekening van jouw nieuwe spel.
Titel spel..............................
Spelregels:............................
Achtergrondinformatie
Als Michiel de Ruijter in onze tijd leefde, welke spel zou
hij dan spelen op zijn ' game boy'? Zijn favoriete spel zou vast en zeker iets
met schepen te maken hebben. Of zou hij een spel maken naar de film ' Pirates
of the Caribian' ?
Kinderen hebben altijd gespeeld. Ook in de oudheid waren er
poppen, ballen en tollen. Uit de Middeleeuwen zijn tinnen soldaatjes,
hobbelpaarden, trek- en duwdieren overgebleven. Maar het meeste speelgoed is
vergaan.
Toen je klein was, speelde je met een rammelaar. Daarmee
ofende je je ogen, je oren en je spieren. Je leerde dingen beet te pakken. Als
kleuter bouwde je met blokken en speelde je in de zandbak met emmertjes en
schepjes.
Je leerde dat het leuk was om samen met een vriendje of
vriendinnetje te spelen. Zo leerde je omgaan met anderen. We noemen dat het
leren van sociale vaardigheden.
Toen je wat ouder was, ging je spelen met dingen die je in
elkaar kunt zetten of uit elkaar kunt halen. Misschien had je dat jouw vader al
eens zien doen, of je opa. Misschien heb je een broer die uit een berg Lego een
rode Ferrari tovert. Dat wilde jij ook doen.

Kinderen bootsen vaak de wereld van volwassnenen na en dat
werd altijd als heel nuttig gezien. Het zou kunnen dat de manier van spelen
iets te maken heeft met het jagen, vissen en hutten bouwen van onze verre
voorouders.
Denk maar niet dat kinderen altijd mochten spelen.
Kinderarbeid was heel gewoon, zeker op de boerderij. Als je een meisje was van amper negen jaar, kreeg je een
'dienstje'. Dan moest je helpen in de huishouding bij rijke, of belangrijke
mensen. Dan mocht je blij zijn als je een keer per maand een dagje vrij kreeg
om naar huis te gaan. Als je een jongen was van negen jaar ging je varen, net
als Michiel de Ruijter.
Veel speelgoed werd vroeger gewoon thuis gemaakt. Niet
alleen door houtsnijders, pottenbakkers en tingieters. Alerlei
gebruiksvoorwerpen werden omgetoverd tot iets waarmee je kon spelen. Van een
ton kon je een prachtige wip maken, met een varkensblaas maakte je muziek. Je
deed een stokje tussen twee paardekaken, een plankje erop en je had een
sleetje. Voor schaatsen gebruikte je botjes. Een van de meest geliefde
meisjesspelletjes was bikkelen. Daarvoor gebruikten ze kootbeentjes van een
schaap.
Na 1600 ontstaat in de Duitse stad Neurenberg de
speelgoedindustrie. Waarom juist daar? Omdat er in Neurenberg houthakkers
woonden die veel heiligenbeelden maakten voor in de kerken. Dat werd moeilijk
toen de strenge protestanten (Calvinisten) die beelden de kerk uit wilden
hebben. De Calvinisten vonden ook dat spelen eigenlijk maar onzin was en
nutteloos. De minder strenge protestanten vonden kinderspel wel nuttig voor de
ontspanning. De Neurenbergers gingen toen maar poppen en ander speelgoed maken.
En dat werd het begin van de massaproductie.
In het midden van de 16e eeuw maakte de schilder
Pieter Breughel de Oudere een groot schilderij met wel 72 kinderspelen. Hij
beeldde op dit childerij de kinderen af als kleine volwassenen. Daarmee gaf hij
kritiek op de Calvinistische houding t.o.v. kinderen.
De kleine Michiel de Ruijter heeft in Vlissingen natuurlijk
veel spelletjes gedaan die op het schilderij voorkomen. Of hij de kerktoren heeft
beklommen is niet helemaal zeker, maar hij heeft vast en zeker in bomen en op
mrtjes geklommen. Als kind durfde hij al een heleboel.
Veel spelen hebben in de loop der tijd vaste regels gekregen
en veranderden in sporten. Een paad van die spelletjes van het schilderij '
Kinderspelen' gaan we iets beter bekijken.
Daar gaan de opdrachten over. Het zijn spelletjes die
Michiel vast en zeker heeft gekend en gespeeld.
1 Met een vogel spelen spel voor een kind De jongen die uyt spelen gaat En heeft een musjen aan een draet Wanneer het dier te verre schiet Soo roept hy veerdigh: hoogher niet ! En of de musch haer stelt te weer Hy ruckt se met een toutjen neer. Het vogeltje lijkt heel tam, maar het zit aan een touwtje vast. Als het wil wegvliegen, wordt het door het kind ruw
naar beneden getrokken |
2 Over de steen trekken spel voor zes kinderen Wie is het sterkste? De jongens verdelen zich in twee partijen van drie. Elke partij heeft een voorman, een paard dat gebukt tegen de voorman staat, en een ruiter. Op de grond wordt een grens aangegeven met twee stenen. De ruiters houden een touw vast dat om een lus is geknoopt. Ze proberen elkaar over de steen te trekken. Hierbij moeten ze goed opletten dat hun paar niet valt. |
3 Paar of onpaar Twee of meer kinderen Nodig: eikels of bonen, knikkers, noten, kiezels.
Een kind houdt een aantal voorwerpjes vast in een dichtgeklemde vuist. Het andere kind moet raden wat het aantal voorwerpen is. Lukt dat dan krijgt het eerste kind de voorwerpen of een vooraf afgesproken deel. |
4 De duivel aan een koord
Kan gespeeld worden met meerdere kinderen . Een kind is de ' duivel' en zit op een stoeltje. Hij heeft zijn helper vast aan een touw. De andere kinderen mogen de duivel slaan en knijpen. De helpen probeert een van de plaaggeesten te pakken. Lukt dat, dan wordt de duivel helper en de gepakte plaaggeest wordt duivel. |
5 Op stelten lopen Een of meerdere kinderen. Per kind twee gelijke stelten. Een stelt is een lange stok met een zijstuk, dat op ongeveer 50 cm van de onderkant wodt vastgemaakt. Dat stuk wordt ' mik' genoemd. Daar moet een kindervoet in kunnen passen zonder te klemmen. Er zijn hele hoge stelten, maar er zijn er ook die de lengte van een kind hebben. Het kind zet zijn voeten in de mikken en probeert te lopen. |
6 Spanbotten Dit spel met munten wordt gespeeld door twee kinderen.
Een jongen/meisje gooit een munt tegen een muur. Het tweede kind gooit ook een munt tegen de muur en probeert zo de eerste munt te raken. Lukt dat, dan krijgt hij twee munten van het andere kind. Lukt het net niet, maar kan hij de afstand tussen de twee munten met zijn hand overbruggen, dan krijgt hij een munt. |